Schuilkelders in Enschede

Algemeen

In 1941 besloot de gemeente Enschede om dertien openbare schuilkelders aan te leggen in en rond de binnenstad. Elke kelder was bedoeld voor ongeveer 50 personen.

Tijdens bombardementen op de stad moesten mensen kunnen schuilen voor het geweld uit de lucht. Daarom kreeg de firma Gebr. Horstman in mei 1941 de opdracht van de gemeente Enschede voor de bouw van 13 overdekte schuilplaatsen in de binnenstad.
De schuilkelders waren als volgt over de binnenstad verspreid: Noorderhagen, Oldenzaalsestraat, Gronaustraat, Haaksbergerstraat, Markt (2), Windbrugplein, H.J. van Heekplein, Hoedemakersplein, het toenmalige Atjehpark aan de Stationsweg, Blijdensteinlaan en twee aan de Deurningerstraat.
De schuilkelders hadden vier ingangen met plaats voor 50 personen, waarvan 36 zitplaatsen. Hoewel de schuilkelders eigenlijk alleen toegankelijk waren bij luchtgevaar, speelden er ook vaak kinderen in. Buiten het centrum werden op verschillende plaatsen schuilloopgraven aangelegd. Ook door particulieren werden schuilkelders voor familie en vrienden gebouwd. 

Hoewel veel van deze kelders na de oorlog zijn volgestort of verwijderd, zijn de locaties historisch goed gedocumenteerd. Hier zijn de specifieke plekken/adressen van de dertien officiële kelders:

De dertien officiële locaties (1941)

De schuilkelders waren strategisch verspreid over de binnenstad, vaak op pleinen of bij belangrijke invalswegen:

  1. Deurningerstraat (Kelder 1): Op de hoek van de Molenstraat.
  2. Deurningerstraat (Kelder 2): Iets verderop in dezelfde straat.
  3. Oude Markt (Kelder 1): Centraal op het plein voor passanten.
  4. Oude Markt (Kelder 2): Een tweede locatie op de Markt.
  5. Noorderhagen: Aan de noordkant van de historische binnenstad.
  6. Oldenzaalsestraat: Nabij het punt waar de weg de binnenstad ingaat.
  7. Gronausetraat: Aan de oostkant van het centrum.
  8. Haaksbergerstraat: Ter hoogte van de Getfertsingel (nabij apotheek Wooldrik).
  9. Windbrugplein: Tegenover de voormalige Bloemendaalschool
  10.  H.J. van Heekplein

  11. Hoedemakersplein: Gelegen in de buurt van de zuidelijke binnenstad.

  12. Stationsweg (Atjehpark): Bij het toenmalige parkje nabij het station.
  13. Blijdensteinlaan: Nabij de statige panden aan de rand van het centrum.

 

De twee kelders aan de Deurningerstraat

Aan de Deurningerstraat lagen twee kleine openbare schuilkelders. Ze waren bedoeld voor bewoners en voorbijgangers in de buurt.

Kenmerken

  • gebouwd rond 1941

  • gemaakt van gewapend beton

  • gedeeltelijk onder de grond

  • toegang via een smalle trap of luik

  • ventilatieopeningen tegen verstikking

  • eenvoudige banken langs de muren

Elke kelder had plaats voor ongeveer 50 mensen.

Dat betekent dat de twee kelders samen ongeveer 100 mensen konden beschermen tijdens een luchtalarm.

De Publieke Schuilkelder (Oude Markt)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag hier een van de belangrijkste schuilplaatsen van het centrum.

  • Locatie: Aan de noordzijde van de Grote Kerk, richting de terrassen van de Markt.
  • De Ingang: Vroeger waren er vier ingangen rondom het plein (vaak herkenbaar aan kleine bakstenen opbouwtjes met trappen naar beneden). Eén specifieke ingang bevond zich ter hoogte van Markt 31. Tegenwoordig zijn deze ingangen dicht gelegd met zware tegels of geïntegreerd in de kelderruimtes van de omliggende horeca, maar de holle ruimte onder het plein is er nog steeds.

 

 

De Schuilplaats bij de RK Jacobuskerk (Oude Markt)

  • Locatie: Nabij de St. Jacobus de Meerderekerk aan de Oude Markt/Walstraat.
  • De Ingang: Hier bevond zich een openbare schuilkelder met vier ingangen die plaats bood aan 50 personen. .

Noorderhagen:

Waarschijnlijk werd de schuilkelder aan de Noorderhagen gebouwd tussen 1941 en 1943, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In die jaren groeide de angst voor bombardementen sterk. Geallieerde vliegtuigen vlogen regelmatig over Twente op weg naar doelen in Duitsland. Soms lieten ze hun bommen te vroeg vallen of moesten ze hun lading lossen voordat ze terugkeerden. Daardoor bestond er ook voor Nederlandse steden zoals Enschede een reëel risico.

Om de bevolking te beschermen liet de gemeente op verschillende plekken in de stad kleine schuilkelders bouwen. De kelder aan de Noorderhagen was waarschijnlijk zo’n typische luchtbeschermingskelder: een eenvoudige ruimte van gewapend beton, onder de grond gebouwd. Via een smalle trap of een metalen luik konden mensen naar binnen. Binnen stonden langs de muren banken en was er eenvoudige verlichting en ventilatie. De ruimte was niet groot, maar bood plaats aan tientallen mensen die bij luchtalarm snel een veilige plek moesten vinden.

Na de bevrijding in 1945 verloren de meeste van deze kleine schuilkelders hun functie. De stad werd opnieuw opgebouwd en veel oorlogselementen verdwenen uit het straatbeeld. Veel kelders werden dichtgestort, afgebroken of raakten simpelweg vergeten onder nieuwe gebouwen en straten. 

Oldenzaalsestraat.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag er langs de Oldenzaalsestraat in Enschede een van de vele kleine schuilkelders die de gemeente had laten bouwen om burgers te beschermen tegen luchtbombardementen. De straat, een belangrijke uitvalsweg naar Oldenzaal, was in die tijd dichtbebouwd met arbeiderswoningen, winkels en werkplaatsen. Omdat hier veel mensen woonden en werkten, was het een logische plek voor een schuilplaats die snel bereikbaar was wanneer de sirenes klonken.

 Historische kaarten en archiefdocumenten suggereren dat hij zich onder een trottoir of klein plantsoen direct langs de straat bevond. Op die manier konden buurtbewoners, winkelend publiek en fabrieksarbeiders snel de veilige ruimte betreden wanneer het luchtalarm afging.

Het was een typische ondergrondse luchtbeschermingskelder: een betonnen bak van enkele meters lengte en breedte, met een ingang via een stalen luik en een trap naar beneden. Binnen waren eenvoudige houten of betonnen banken, ventilatiepijpen en vaak een noodtoilet. De ruimte bood plaats aan enkele tientallen mensen en bood bescherming tegen rondvliegend puin en scherven tijdens bombardementen.

Hoewel er geen openlijk zichtbare ingang meer bestaat, was de kelder toen direct langs of onder de straat zelf, waarschijnlijk ergens tussen de huidige nummers Oldenzaalsestraat 50 en 100 (lichter bij het centrum), waar rondom toen veel woningen en winkels stonden.

Gronausetraat

Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte de Gronausestraat in Enschede deel uit van het netwerk van buurtkelders dat de gemeente had laten aanleggen om burgers te beschermen tegen luchtbombardementen. De straat liep richting de oostelijke stadsrand en was in die tijd dichtbebouwd met arbeiderswoningen, winkels en kleine werkplaatsen. Omdat hier veel mensen woonden en werkten, was het een logische locatie voor een schuilkelder.

Hoewel er geen gedetailleerde bouwdocumenten of foto’s van de schuilkelder aan de Gronausestraat bekend zijn, past het in het patroon van de 13 overdekte buurtkelders die de gemeente Enschede in 1941‑1943 liet bouwen. Deze kelders lagen meestal onder trottoirs of plantsoenen direct langs drukke woonstraten, zodat bewoners snel konden schuilen wanneer het luchtalarm afging.

De kelder was waarschijnlijk een eenvoudige ondergrondse betonnen ruimte, voorzien van een metalen luik of trap als toegang, ventilatiepijpen en banken langs de wanden. Er was ruimte voor tientallen mensen. Tijdens het afgaan van het luchtalarm gingen buurtbewoners snel naar binnen en wachtten zij tot het gevaar voorbij was. De dikke betonnen muren boden bescherming tegen rondvliegend puin en instortende gebouwen.

Na de oorlog verloor de kelder zijn functie. Net als veel andere buurtkelders in Enschede werd hij waarschijnlijk dichtgestort of verdwenen onder nieuwe bestrating en bebouwing. Tegenwoordig is er geen zichtbare rest meer van de schuilkelder aan de Gronausestraat, maar historisch gezien maakte hij deel uit van de stedelijke voorbereidingen om burgers tijdens de oorlog te beschermen.

Kortom, de schuilkelder aan de Gronausestraat was een kleine, ondergrondse betonconstructie, strategisch geplaatst in een drukke woonstraat, die tijdens de oorlog tijdelijk veiligheid bood aan de inwoners van Enschede.

Er zijn helaas geen concrete, gedocumenteerde coördinaten terug te vinden voor een specifieke Tweede‑Wereldoorlog schuilkelder aan de Gronausestraat in Enschede in beschikbare openbare bronnen.

 Haaksbergerstraat en Espoortstraat

Nog altijd twee schuilkelders in Enschede

Jaren 50, koude oorlog. De Russen komen, vreesde het westen. De angst daarvoor was toen nog groter dan de angst nu voor het terrorisme. Nederland nam voorzorgsmaatregelen. Folders met instructies hoe te handelen bij een atoomaanval vielen door de brievenbus. En we bouwden weer schuilkelders. Enschede kreeg er twee.


ENSCHEDE - Gelukkig hebben ze in de halve eeuw die daarop volgde nooit dienst hoeven te doen. De Russen kwamen niet en zijn thans zelfs bezig onze vrienden te worden. Maar de schuilkelders zijn er nog steeds. Wie weet waar, kan de met een betonnen plaat afgedekte ingang nog zien. De ene in het trottoir van de Espoortstraat, ongeveer ter hoogte van het trafohuisje bij de oude begraafplaats. De andere aan de rand van het met sierstruiken beplante perk voor de apotheek Wooldrik op de hoek Haaksbergerstraat-Getfertsingel.
Beide kelders zijn 3,70 bij 9,80 meter groot en gebouwd door het Enschedese aannemersbedrijf J. van Tubberg & Zn., dat met 26.844 gulden de laagste inschrijver was. Daar bouw je nu nog geen badkamertje voor. Toch had de realisering nog heel wat voeten in de aarde, want het plan was er al in 1951, terwijl de klus pas in 1958 werd geklaard.
Aanvankelijk zouden er drie schuilkelders komen, plus dat een aantal bestaande panden in de stad zou worden verbouwd of aangepast (de fietsenkelder van het stadhuis deed in de echte oorlog bijvoorbeeld als zodanig dienst). Maar het kwam er allemaal niet van. De prijs voor veiligheid was het rijk kennelijk te hoog. Achteraf maar goed ook, al kon niemand dat destijds voorspellen.
De Bescherming Bevolking ging over de schuilgelegenheden. ˜Toen de BB er een oefening hield, bracht iemand van de apotheek de mensen koffie.
Toen de BB werd opgeheven kreeg de brandweer de sleutel en het beheer, maar die keek er zelden naar om. ˜Er stond een laag water in", zei de toenmalige commandant .
Wie er thans voor verantwoordelijk is blijkt moeilijk te achterhalen. Gemeente en brandweer wijzen naar elkaar. Beide hebben er in geen jaren meer in gekeken. Archivaris Adrie Roding meent zelfs te hebben gehoord dat een van de twee kelders is volgestort met zand. Ze zijn er dus allebei nog wel, maar waarschijnlijk niet meer bruikbaar.

Windbrugplein

Eén van de dertien schuilkelders van Enschede stond op het Windbrugplein, midden in het toenmalige centrum van Enschede. Het plein lag vlakbij de Van Loenshof, de voormalige Bloemendaalschool en de kruising van historische straten zoals Zuiderhagen en de Windbrugstraat. Hierdoor was de kelder gemakkelijk bereikbaar voor de bewoners van de directe omgeving.

De schuilkelder zelf was een ondergrondse betonnen ruimte, groot genoeg om tientallen mensen te herbergen. Hij bood bescherming tegen rondvliegend puin en instortende gebouwen. Toegang verliep via ingangen bij het plein, en ventilatiepijpen zorgden voor frisse lucht terwijl de bewoners onderdak zochten. Tijdens luchtalarm konden buurtbewoners er snel naartoe rennen en veilig wachten tot het gevaar voorbij was.

Na de oorlog verloor de kelder zijn functie. Het Windbrugplein werd heringericht in de jaren 50, rond de aanleg van de Boulevard 1945, en veel van de schuilkelders in de binnenstad verdwenen. Ze werden dichtgestort, volgespoten met zand of gingen verloren onder nieuwe straten en gebouwen. Tegenwoordig is van de kelder op het Windbrugplein niets meer zichtbaar, maar historische documenten herinneren aan de belangrijke rol die deze plek tijdens de oorlog speelde als beschermde schuilplaats voor de inwoners van het centrum van Enschede.

H.J. van Heekplein

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liet de gemeente Enschede in mei 1941 een netwerk van openbare luchtbeschermingsschuilkelders aanleggen in de binnenstad, bedoeld om burgers te beschermen tegen bombardementen en luchtalarm. Eén van deze kelders stond op het H.J. van Heekplein, een plein in het hart van het centrum van Enschede, vlak bij belangrijke winkelstraten en de oude markt. Dankzij deze centrale ligging konden bewoners uit de omgeving snel de kelder bereiken zodra het luchtalarm afging.

De schuilkelder zelf was een eenvoudige, maar stevige betonnen ruimte onder de grond. Hij bood plaats aan tientallen mensen en beschermde tegen rondvliegend puin en instortend materiaal. Toegangen via luiken of trappen lagen direct aan het plein, terwijl ventilatiepijpen frisse lucht naar binnen lieten stromen. Tijdens het afgaan van het luchtalarm zochten buurtbewoners er snel hun toevlucht en bleven veilig tot het gevaar voorbij was.

Na de oorlog verloor de kelder zijn functie. Met de herinrichting van het H.J. van Heekplein in de jaren ’50, en later tijdens stadsvernieuwing, verdween de kelder grotendeels. Sommige schuilkelders werden dichtgestort, volgespoten met zand of simpelweg bedekt door nieuwe bestrating en gebouwen. Tegenwoordig is er van de kelder aan het H.J. van Heekplein niets meer zichtbaar, maar historische archieven herinneren nog aan de belangrijke rol die deze plek tijdens de oorlog speelde als veilige schuilplaats voor de inwoners van het stadscentrum

Stationsweg (Atjehpark)

Wat we vandaag het Stationsplein noemen grenst aan het station van Enschede en was voor de oorlog (tot ongeveer 1951) een gebied dat deels uit het historische Atjehpark bestond – een park dat in het begin van de 20e eeuw een groen publieke ruimte was tussen de Parkweg en de Stationsweg.

Rond 1951 werd het Atjehpark formeel opgenomen in het nieuw ontstane Stationsplein, toen de infrastructuur rond het station en de toegangswegen werd aangepast. Het gebied was dus tijdens de oorlog een centrale ontmoetingsplek vlak bij het spoor, met veel mensen die zich daar verplaatsten. Dat maakte het ook logisch dat juist hier één van de schuilkelders gepland of gebouwd werd als onderdeel van het gemeentelijke plan. Na de oorlog is hij verdwenen onder de moderne bebouwing en bestrating, maar hij maakte deel uit van het civiele beschermingsnet van de stad in de moeilijke oorlogsjaren.

Hoedemakersplein

Onder het vlakke oppervlak van het Hoedemakersplein in het centrum van Enschede schuilde tijdens de Tweede Wereldoorlog een stille, betonnen schuilplaats. In mei 1941 liet de gemeente een netwerk van luchtbeschermingsschuilkelders aanleggen, bedoeld om burgers te beschermen tegen luchtalarm en bombardementen. De kelder op dit plein bood een toevlucht voor de inwoners van de omliggende straten, een plek waar angst voor de lucht boven hen even tot rust werd gebracht.

De kelder zelf was eenvoudig maar doeltreffend: een stevige ondergrondse ruimte, met zitbanken langs de wanden en ventilatiepijpen die frisse lucht naar binnen brachten. Meerdere ingangen en metalen luiken op het plein maakten dat mensen snel konden binnenkomen zodra de sirenes loeiden. Binnen was het donker en koel, een veilige cocon die bescherming bood tegen rondvliegend puin en instortend dakmateriaal. Het comfort was minimaal, maar dat deed er niet toe; hier telde alleen veiligheid en het gevoel van beschutting.

Tijdens een luchtalarm stroomden buurtbewoners de kelder in, sloten de luiken achter zich en wachtten stilletjes tot het gevaar voorbij was. Het was een plek van tijdelijke stilte, van gedeelde angst en collectieve hoop, diep onder het bruisende stadsleven.

Na de oorlog verloor de kelder zijn functie. Het Hoedemakersplein werd heringericht, moderne bestrating en gebouwen namen de ruimte in, en de kelder verdween in de vergetelheid. 

Blijdensteinlaan

In het rustige woongebied van de Blijdensteinlaan in Enschede stond tijdens de Tweede Wereldoorlog een schuilkelder die deel uitmaakte van het netwerk van  openbare luchtbeschermingsschuilplaatsen dat de gemeente in mei 1941 liet aanleggen. 

De kelder onder de Blijdensteinlaan was een eenvoudige, maar stevige betonnen constructie. Binnenin bood hij plaats aan ongeveer vijftig mensen, met houten of betonnen zitbanken langs de wanden. Meerdere ingangen en metalen luiken op straatniveau zorgden ervoor dat buurtbewoners snel naar binnen konden, terwijl ventilatiepijpen frisse lucht naar binnen brachten. Het comfort was minimaal, maar het gevoel van veiligheid dat de kelder bood, was onmisbaar voor de bewoners in die angstige dagen.

Na de bevrijding verloor de kelder zijn functie. Net als veel andere kelders in de stad werd hij later dichtgestort of bedekt toen de straat en de wijk werden heringericht. Tegenwoordig is er niets meer zichtbaar van deze schuilplaats.

De Schuilkelder in het Volkspark

De Bunker die een Heuvel Werd

Wie goed kijkt naar het landschap van het Volkspark, ziet dat de natuur soms een handje geholpen is. Aan de zijde van de Parkweg ligt een opvallende glooiing die in de volksmond de 'bunkerheuvel' wordt genoemd. Onder deze groene laag gras en struiken schuilt een massieve betonnen schuilplaats uit de Tweede Wereldoorlog.

In tegenstelling tot de kelders in de binnenstad, is deze bunker nooit gesloopt. De muren waren zo dik dat men na de oorlog besloot de constructie simpelweg te bedekken met aarde. Vandaag de dag verraden grijze betonranden en ventilatiepunten die her en der door het groen steken, dat dit geen natuurlijke heuvel is, maar een onverwoestbaar stuk Enschedese oorlogsgeschiedenis. Een stille getuige, letterlijk versmolten met het park.

Waarom een bunker in het park?

Het lijkt misschien vreemd om midden in een park een schuilplaats te bouwen, maar de locatie was destijds een strategische keuze. In de dichtbebouwde binnenstad was het gevaar groot dat mensen na een bombardement opgesloten raakten in hun kelders door het puin van instortende gebouwen.

Het Volkspark bood daarentegen:

  • Vrije ruimte: De open ligging zorgde ervoor dat de uitgangen altijd vrij bleven, hoe zwaar de omgeving ook getroffen werd.

  • Nabijheid van de industrie: Het park grensde direct aan de grote textielfabrieken en het spoor. Dit waren de gebieden die het vaakst doelwit waren van geallieerde bombardementen, waardoor een schuilplaats voor arbeiders en omwonenden hier van levensbelang was.

Architectuur van de angst

In tegenstelling tot de kelders in de Floresstraat of de binnenstad, die vaak volledig onder de grond verborgen lagen, is de bunker in het Volkspark deels bovengronds gebouwd. Hierdoor is de brute architectuur van de oorlog nog altijd zichtbaar. De enorme dikte van de betonnen muren en de grauwe, functionele vormen laten zien hoe de stad zich probeerde te wapenen tegen de vernietigende kracht van bommen.

Een blijvende herinnering

Vandaag de dag is de bunker in het Volkspark veel meer dan alleen een brok beton. Het is een monument voor de weerbaarheid van de Enschedeërs. Waar de 'kelders van Horstman' uit de binnenstad langzaam uit het geheugen verdwijnen, dwingt deze bunker de voorbijganger om even stil te staan bij het verhaal van de stad in oorlogstijd.

Het Monument in de Floresstraat

De kelders van de Floresstraat: Schuilen onder het trottoir

In de Floresstraat, midden in de Enschedese Indische Buurt, herinnert een bescheiden monument aan een indrukwekkend stuk lokale geschiedenis. Hoewel er nu niets meer van te zien is, bevond zich hier tijdens de Tweede Wereldoorlog een vitale schuilplaats voor de buurt.

Geen kelder onder huis, maar onder de straat

Veel mensen denken dat de bewoners van de Floresstraat in hun eigen huiskelders schuilden, maar dat was levensgevaarlijk bij een direct voltreffer. In plaats daarvan werden er onder het openbare trottoir speciale publieke schuilkelders aangelegd. Deze betonnen constructies lagen net onder het straatniveau en boden een relatief veilige haven voor de gezinnen uit de omliggende woningen wanneer het luchtalarm klonk.

Het monument als laatste getuige

De kelders zijn na de bevrijding in 1945 buiten gebruik gesteld en later tijdens wegwerkzaamheden verwijderd of volgestort. Wat bleef, is het monument met de veelzeggende tekst:

"Deze kelders dienden in den Wereldoorlog 1940 – 1945 de buurtbewoners tot schuilplaats. 1-4-'45"

Het gedenkteken werd al in 1945 geplaatst, op de exacte plek waar de kelders lagen. De datum op de steen, 1 april 1945, markeert de bevrijding van Enschede en daarmee de dag dat de bewoners voor het laatst hun toevlucht tot deze ondergrondse ruimtes hoefden te zoeken.

Een plek van solidariteit

Vandaag de dag rijden we over de plek waar vroeger angst en hoop hand in hand gingen. Het monument in de Floresstraat is niet alleen een herinnering aan de dreiging van bombardementen, maar vooral een eerbetoon aan de saamhorigheid van een buurt die samen de oorlog doorstond.

Overige schuilplekken

In Enschede was de bescherming tegen luchtaanvallen in de Tweede Wereldoorlog een combinatie van officieel aangewezen kelders, snel gebouwde bunkers en noodoplossingen in textielfabrieken. Hier zijn meer specifieke details over de verschillende locaties van deze minder formele kelders:

  • Wethouder Beverstraat: Onder het gebouw van de voormalige Openbare Nutsbedrijven bevond zich een commandocentrum/kluis die dienst deed als bunker.
  • Blok 43 (Beukinkstraat/Brinkstraat): In dit gebied, dat zwaar werd getroffen op 22 maart 1945, vluchtten mensen naar lokale schuilkelders in de straat, al boden deze niet altijd voldoende bescherming tegen voltreffers
  • Walstraat: Hier bevonden zich meerdere kelders onder de oude huizen. 
  • Van Loenshof: Na het grote bombardement van 10 oktober 1943, waarbij het gebied rond de Van Loenshof zwaar werd getroffen, werden hier noodschuilplaatsen ingericht in de puinhopen.
  • De Textielkastelen als schuilplaats
  • De grote fabrieken boden vaak de beste bescherming door hun massieve muren en diepe kelders:
  • Fabriek Jannink (Haaksbergerstraat): Tijdens de zware bombardementen op de omliggende wijk Pathmos fungeerden de kelders van Jannink als centrale schuilplaats voor honderden buurtbewoners.
  • N.J. Menko (Roombeek): Ook hier waren grote kelderruimtes die werden gebruikt, hoewel dit later gevaarlijk bleek toen de fabriek zelf doelwit werd.

Veel inwoners van Enschede hun eigen "schuilkelder" maakten door een gat te graven onder de vloer van de woonkamer, de zogenaamde "onderduik- of schuilgaten", vaak verstevigd met oude deuren en zandzakken?

 

Duitse Bunkers en Schuilplaatsen (Fliegerhorst Twente)

Rondom de vliegbasis (destijds Fliegerhorst Twente) en op strategische plekken in de stad bouwden de Duitsers diverse bunkers:

  • Vliegveldweg: Talrijke bunkers op en rond het vliegveldveld. Sommige hiervan waren "drijvend" aangelegd (zonder diepe fundering) om schokgolven van bommen op te vangen.
  • Landgoed het Oosterveld: Hier zijn nog enkele authentieke Duitse bunkers uit de oorlogsperiode intact gebleven.
  • Kortenearstraat: De voormalige school werd door de Wehrmacht gebruikt als opslag en later als hospitaal (Kriegslazaret), inclusief schuilfaciliteiten.
  • Hengelosestraat (voormalig Gemeentehuis Lonneker): Gebruikt door de bezetter, met bijbehorende versterkingen.
  • Duitse Bunkers (Fliegerhorst Twente)
  • Lonnekerberg: Hier liggen nog diverse ondergrondse bunkers die deel uitmaakten van het verdedigingsnetwerk van het vliegveld.

Wethouder Beverstraat: In de kelder van de voormalige Openbare Nutsbedrijven zat een "Commandocentrum" met een zware kluisdeur. Dit was een zwaar versterkte bunker die bedoeld was voor de coördinatie van vitale diensten tijdens aanvallen.

Gebruikte bron(nen)

 

Bij het maken van deze pagina kwam ik er achter dat er vrij weinig bekend is over de exacte plekken van de schuilkelders. Ik heb dan ook geprobeerd om deze plekken zo nauwkeurig mogelijk te achterhalen uit verschillende documenten die digitaal bekend zijn.