Schuilkelders in Enschede
Algemeen
De openbare schuilkelders van Enschede
Toen de oorlogsdreiging in Nederland steeds groter werd, moest ook Enschede rekening houden met de mogelijkheid van bombardementen. De stad was een belangrijk industrieel centrum en beschikte over talrijke textielfabrieken. Daarmee vormde Enschede een mogelijk doelwit voor luchtaanvallen.
De gemeente nam daarom in 1941 maatregelen om de bevolking tijdens luchtalarm een veilige plaats te kunnen bieden. In mei van dat jaar kreeg de Enschedese aannemersfirma Gebr. Horstman opdracht om dertien openbare, overdekte schuilplaatsen te bouwen. Ze kwamen verspreid te liggen in en rond het centrum, zodat inwoners die tijdens een bombardement op straat waren niet eerst een grote afstand hoefden af te leggen.
Elke schuilkelder was berekend op ongeveer vijftig personen. De inrichting was eenvoudig maar doelmatig. Er waren vier toegangen en binnen waren 36 zitplaatsen beschikbaar. De overige aanwezigen moesten staand plaatsnemen. De schuilplaatsen waren in eerste instantie bedoeld voor situaties waarin daadwerkelijk luchtgevaar dreigde.
De dertien schuilplaatsen kwamen op verschillende strategische plekken in de stad te liggen:
Een opmerkelijk detail uit de geschiedenis van de Enschedese schuilkelders is dat ze niet uitsluitend tijdens luchtalarm werden gebruikt. Kinderen zagen in de nieuwe bouwwerken vooral interessante plekken om te spelen. De schuilplaatsen waren normaal gesproken afgesloten wanneer er geen sprake was van luchtgevaar, maar hun aanwezigheid maakte grote indruk op de jeugd.
Voor volwassenen hadden de kelders uiteraard een veel ernstiger betekenis. Een bombardement kon immers ieder moment slachtoffers maken. Wie zich buiten bevond wanneer het luchtalarm klonk, moest snel een beschutte plek zien te vinden.
De gemeente beperkte de bescherming van de bevolking niet tot de officiële kelders in het centrum. Op verschillende plaatsen buiten de binnenstad werden schuilloopgraven aangelegd. Deze waren eenvoudiger van opzet dan de overdekte schuilkelders, maar boden eveneens bescherming tegen rondvliegende brokstukken en de gevolgen van bombardementen.
Daarnaast namen inwoners zelf maatregelen. Particulieren bouwden op eigen terrein schuilgelegenheden voor hun gezin, familieleden en soms ook voor buren of vrienden. Daardoor ontstond in Enschede tijdens de oorlog een veel groter netwerk van schuilplaatsen dan alleen de dertien gemeentelijke kelders.
De openbare schuilkelders maakten vanaf 1941 deel uit van het dagelijks straatbeeld van Enschede. Voor de huidige generatie zijn ze echter nauwelijks nog zichtbaar. Veel van de bouwwerken zijn na de oorlog verwijderd, afgebroken of volgestort.
De plaatsen waar ze hebben gestaan zijn dankzij gemeentelijke documenten en andere historische bronnen echter nog goed te achterhalen. Daardoor kan tegenwoordig vrij nauwkeurig worden gereconstrueerd waar Enschede tijdens de oorlog over openbare schuilgelegenheden beschikte.
De dertien locaties geven bovendien een interessant beeld van de toenmalige stad. De schuilplaatsen lagen niet alleen bij de grote pleinen en belangrijke straten, maar waren verspreid over verschillende delen van de binnenstad.
De lijst hieronder laat zien waar de dertien officiële openbare schuilkelders zich tijdens de Tweede Wereldoorlog bevonden
De dertien officiële locaties (1941)
De schuilkelders waren strategisch verspreid over de binnenstad, vaak op pleinen of bij belangrijke invalswegen:
- Deurningerstraat (Kelder 1): Op de hoek van de Molenstraat.
- Deurningerstraat (Kelder 2): Iets verderop in dezelfde straat.
- Oude Markt (Kelder 1): Centraal op het plein voor passanten.
- Oude Markt (Kelder 2): Een tweede locatie op de Markt.
- Noorderhagen: Aan de noordkant van de historische binnenstad.
- Oldenzaalsestraat: Nabij het punt waar de weg de binnenstad ingaat.
- Gronausetraat: Aan de oostkant van het centrum.
- Haaksbergerstraat: Ter hoogte van de Getfertsingel (nabij apotheek Wooldrik).
- Windbrugplein: Tegenover de voormalige Bloemendaalschool
-
H.J. van Heekplein
-
Hoedemakersplein: Gelegen in de buurt van de zuidelijke binnenstad.
- Stationsweg (Atjehpark): Bij het toenmalige parkje nabij het station.
- Blijdensteinlaan: Nabij de statige panden aan de rand van het centrum.
De twee kelders aan de Deurningerstraat
De twee schuilkelders aan de Deurningerstraat
Aan de Deurningerstraat bevonden zich tijdens de Tweede Wereldoorlog twee openbare schuilkelders. Ze maakten deel uit van het netwerk van gemeentelijke schuilplaatsen dat Enschede vanaf 1941 aanlegde om de bevolking tijdens luchtalarm enige bescherming te bieden.
De beide schuilplaatsen waren relatief klein van omvang. Ze werden rond 1941 gebouwd en waren gedeeltelijk in de grond aangebracht. De constructie bestond uit gewapend beton, zodat de aanwezigen beter beschermd waren tegen rondvliegend puin en de gevolgen van explosies.
De toegang tot de kelders was eenvoudig uitgevoerd, met een smalle trap of een luik. Binnen waren langs de wanden eenvoudige banken aangebracht. Ook was rekening gehouden met de luchtvoorziening. Ventilatieopeningen moesten ervoor zorgen dat de mensen die tijdens een bombardement langere tijd binnen moesten blijven voldoende lucht kregen.
Een van de belangrijkste kenmerken van deze openbare schuilplaatsen was de beperkte capaciteit. Elke kelder bood plaats aan ongeveer vijftig personen. De twee schuilgelegenheden aan de Deurningerstraat konden daarmee samen naar schatting ongeveer honderd mensen onderdak bieden wanneer het luchtalarm klonk.
Voor de bewoners van de Deurningerstraat en de mensen die zich daar tijdens een luchtaanval bevonden, vormden de kelders daardoor een belangrijke mogelijkheid om snel bescherming te zoeken.
Tegenwoordig zijn de schuilplaatsen zelf niet of nauwelijks meer herkenbaar in het straatbeeld. Toch herinneren de historische gegevens aan een tijd waarin een gewone straat als de Deurningerstraat tijdens een bombardement plotseling kon veranderen in een plek waar tientallen mensen hun toevlucht moesten zoeken.
De Publieke Schuilkelder (Oude Markt)
De schuilkelder bij de Grote Kerk
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevond zich op de Markt, vlak bij de Grote Kerk, een van de openbare schuilplaatsen van de Enschedese binnenstad. De ligging was bijzonder centraal, waardoor de kelder tijdens luchtalarm toegankelijk was voor mensen die zich op of rond de Markt bevonden.
De schuilplaats lag aan de noordzijde van de Grote Kerk, aan de kant van de Markt en de terrassen. De toegang tot de ondergrondse ruimte was verdeeld over meerdere ingangen. Rond het plein waren vier toegangen aanwezig, zodat mensen vanuit verschillende richtingen snel naar binnen konden.
Een van deze ingangen bevond zich ter hoogte van Markt 31. De toegangen waren herkenbaar aan kleine bakstenen opbouwen met een trap die naar beneden leidde. Vanaf de Markt kon men op die manier rechtstreeks de schuilruimte bereiken.
Na de oorlog verdwenen de zichtbare onderdelen van de schuilkelder geleidelijk uit het straatbeeld. De toegangen werden dichtgemaakt met zware tegels of raakten bij latere veranderingen aan de bebouwing en de omliggende horecagelegenheden uit het zicht.
De geschiedenis van de schuilkelder is daarmee grotendeels aan het huidige straatbeeld onttrokken. Wie tegenwoordig op de Markt bij de Grote Kerk staat, ziet nauwelijks nog iets dat herinnert aan de ondergrondse ruimte die hier tijdens de oorlog bescherming moest bieden.
De plek is daarmee een van de minder zichtbare herinneringen aan het oorlogsverleden van de Enschedese binnenstad.
De schuilplaats bij de Jacobuskerk
Ook in de omgeving van de Sint-Jacobus de Meerderekerk aan de Oude Markt bevond zich tijdens de Tweede Wereldoorlog een openbare schuilgelegenheid. De kerk lag midden in het historische centrum van Enschede, aan de Oude Markt en dicht bij de Walstraat. Daarmee bevond de schuilplaats zich op een plek waar tijdens luchtalarm veel mensen aanwezig konden zijn.
De openbare schuilkelder was voorzien van vier toegangen. Daardoor konden mensen vanuit verschillende richtingen de bescherming van de kelder bereiken zonder allemaal dezelfde ingang te hoeven gebruiken.
De ruimte was berekend op ongeveer vijftig personen. De schuilkelder maakte daarmee deel uit van het gemeentelijke netwerk van openbare schuilplaatsen dat vanaf 1941 in de Enschedese binnenstad werd aangelegd.
Voor de inwoners van Enschede waren dergelijke plekken tijdens de oorlog een belangrijk onderdeel van de bescherming tegen luchtaanvallen. Een luchtalarm kon immers betekenen dat mensen die zich op straat, in winkels of in de omgeving van de Oude Markt bevonden, binnen korte tijd een veilige plaats moesten zoeken.
Van de oorspronkelijke schuilkelder is in het huidige straatbeeld weinig meer te zien. De plek herinnert echter aan de manier waarop de gemeente tijdens de oorlog probeerde de bevolking van de dichtbebouwde binnenstad bescherming te bieden.
De omgeving van de Jacobuskerk was daarmee niet alleen een belangrijk religieus en stedelijk centrum, maar tijdens de oorlog ook een plaats waar inwoners bij luchtgevaar hun toevlucht konden zoeke
De schuilkelder aan de Noorderhagen
Ook aan de Noorderhagen bevond zich tijdens de Tweede Wereldoorlog een openbare schuilgelegenheid. De kelder maakte deel uit van de maatregelen die in Enschede werden genomen om de bevolking te beschermen tegen de gevolgen van luchtaanvallen.
De schuilplaats werd vermoedelijk in de periode 1941–1943 aangelegd. In deze jaren nam het gevaar vanuit de lucht toe. Geallieerde vliegtuigen trokken regelmatig over Twente richting doelen in Duitsland. Niet iedere aanval verliep volgens plan. Door navigatiefouten, veranderende omstandigheden of problemen tijdens de terugvlucht konden bommen ook buiten het eigenlijke doelgebied terechtkomen. Voor de inwoners van Enschede betekende dit dat ook buiten de directe doelgebieden rekening moest worden gehouden met gevaar uit de lucht.
De gemeente liet daarom op verschillende plaatsen in en rond de binnenstad schuilgelegenheden aanleggen. De voorziening aan de Noorderhagen was een relatief eenvoudige luchtbeschermingskelder, die gedeeltelijk onder het maaiveld lag. De constructie was bedoeld om mensen tijdens een bombardement bescherming te bieden tegen onder meer rondvliegend puin en de gevolgen van explosies.
De toegang verliep via een beperkte ingang, waarna men in de ondergrondse ruimte terechtkwam. Binnen was de inrichting sober en functioneel. Langs de wanden konden mensen plaatsnemen en voorzieningen voor verlichting en ventilatie zorgden ervoor dat de ruimte tijdens een luchtalarm korte tijd gebruikt kon worden.
De kelder was geen grote ondergrondse bunker. Het ging om een plaats waar mensen die zich tijdens een luchtaanval in de omgeving bevonden snel bescherming konden zoeken.
Na de bevrijding verloor de schuilplaats haar oorspronkelijke functie. De wederopbouw en de veranderingen in de stad zorgden ervoor dat veel zichtbare herinneringen aan de oorlog verdwenen. Verschillende kleine schuilkelders werden in de jaren na de oorlog afgebroken of volgestort. Andere raakten door nieuwe bebouwing en veranderingen in het straatbeeld aan het zicht onttrokken.
Ook de schuilkelder aan de Noorderhagen is daardoor voor de meeste voorbijgangers niet meer herkenbaar. Toch vormt de locatie een stille herinnering aan de periode waarin de bewoners van Enschede bij ieder luchtalarm moesten beseffen dat gevaar letterlijk uit de lucht kon komen.
De schuilkelder aan de Oldenzaalsestraat
Ook aan de Oldenzaalsestraat bevond zich tijdens de Tweede Wereldoorlog een openbare schuilgelegenheid. De straat vormde een belangrijke verbinding tussen de Enschedese binnenstad en Oldenzaal en was in de oorlogsjaren een drukke, dichtbebouwde stadsstraat.
Langs de Oldenzaalsestraat stonden woningen, winkels en verschillende kleine bedrijven en werkplaatsen. Daardoor bevonden zich hier op ieder moment veel bewoners, werknemers en voorbijgangers. Een openbare schuilplaats in deze omgeving kon bij luchtalarm dan ook van grote betekenis zijn.
Over de exacte ligging van de schuilkelder is minder zekerheid. Historische kaarten en archiefgegevens wijzen erop dat de voorziening direct langs de straat lag, mogelijk onder een trottoir of een klein plantsoen. Hierdoor konden mensen vanuit de directe omgeving de schuilplaats snel bereiken wanneer het luchtalarm werd gegeven.
De inrichting zal grotendeels hebben aangesloten bij die van de andere gemeentelijke schuilkelders die Enschede vanaf 1941 liet aanleggen. Het ging om een compacte, ondergrondse constructie die bescherming moest bieden tegen de gevolgen van een bombardement. Een trap of luik vormde de toegang tot de ruimte. Binnen waren eenvoudige zitplaatsen en voorzieningen voor ventilatie aanwezig.
De schuilkelder was niet bedoeld om langdurig verblijf mogelijk te maken. Het doel was vooral om mensen tijdens het gevaarlijkste deel van een luchtaanval beschutting te bieden tegen scherven, rondvliegend puin en de druk van explosies.
De precieze locatie is tegenwoordig moeilijk in het straatbeeld terug te vinden. De oorspronkelijke ingang is verdwenen en ook bovengronds is geen duidelijke herinnering aan de schuilplaats overgebleven.
Een oudere plaatsaanduiding brengt de kelder in verband met het gedeelte van de Oldenzaalsestraat tussen ongeveer nummer 50 en 100, aan de kant van het centrum. Die aanduiding moet echter voorzichtig worden gebruikt zolang de exacte positie niet door een oorspronkelijke bouwtekening of een ander rechtstreeks archiefstuk kan worden bevestigd.
De schuilkelder aan de Oldenzaalsestraat is daarmee een van de verdwenen oorlogssporen van Enschede: ooit bedoeld als directe bescherming voor de mensen die hier woonden en werkten, maar tegenwoordig vrijwel volledig uit het straatbeeld verdwenen.
De schuilkelder aan de Gronausestraat
Ook de Gronausestraat maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uit van het netwerk van openbare schuilgelegenheden in Enschede. De straat liep vanuit het centrum in oostelijke richting en was in de oorlogsjaren een belangrijke verbinding tussen de binnenstad en de oostelijke stadsrand.
Langs de straat stonden veel woningen en waren verschillende winkels en kleine bedrijven gevestigd. Bij luchtalarm konden zich daardoor in korte tijd veel mensen op straat bevinden. Een openbare schuilplaats in deze omgeving kon daarom een belangrijke functie hebben.
De gemeente Enschede liet vanaf 1941 op verschillende plaatsen dergelijke schuilgelegenheden aanleggen. De schuilkelder aan de Gronausestraat wordt in verband gebracht met dit gemeentelijke netwerk van dertien openbare schuilplaatsen.
Over de precieze uitvoering en ligging van deze specifieke kelder is echter weinig betrouwbare informatie bewaard gebleven. Er zijn voor zover bekend geen duidelijke foto's of bouwtekeningen beschikbaar waarmee de exacte plaats en inrichting zonder twijfel kunnen worden vastgesteld.
Het is daarom aannemelijk dat de schuilplaats vergelijkbaar was met de andere gemeentelijke kelders uit die periode. Het ging om een relatief kleine constructie van beton, gedeeltelijk onder de grond, met een toegang vanaf de straat. Een dergelijke ruimte was ingericht om bij luchtalarm gedurende de aanval beschutting te bieden.
De stevige constructie moest vooral bescherming geven tegen de gevolgen van bombardementen, zoals scherven, rondvliegend puin en vallend materiaal. De ruimte was niet bedoeld als permanente verblijfplaats, maar als tijdelijke veilige plek zolang het directe gevaar vanuit de lucht aanhield.
Na de bevrijding verdwenen veel van de kleine openbare schuilplaatsen uit het straatbeeld. Sommige werden afgebroken, andere dichtgestort of raakten bij veranderingen aan straten en bebouwing onder de nieuwe inrichting van de stad verborgen.
Ook aan de Gronausestraat is tegenwoordig geen duidelijk herkenbare schuilkelder meer zichtbaar.
De exacte locatie
Bij deze schuilkelder is voorzichtigheid geboden. De exacte plaats van de oorlogse schuilkelder aan de Gronausestraat kan op basis van de momenteel beschikbare gegevens niet met zekerheid worden vastgesteld. Er zijn geen betrouwbare openbare bronnen gevonden die een concreet huisnummer of exacte coördinaten noemen.
Het is daarom beter om op een historische website geen specifieke locatie als vaststaand feit te presenteren zolang die niet door een oorspronkelijke gemeentelijke plattegrond, bouwtekening, archiefstuk of andere betrouwbare bron kan worden bevestigd.
De Gronausestraat kan dus wel worden genoemd als locatie van een gemeentelijke schuilgelegenheid, maar de exacte plek moet vooralsnog als onbekend worden beschouwd.
De schuilkelders aan de Haaksbergerstraat en Espoortstraat
Niet alle schuilkelders in Enschede dateren uit de Tweede Wereldoorlog. Twee bijzondere exemplaren werden pas na de oorlog, tijdens de Koude Oorlog, aangelegd. Ze kwamen aan de Espoortstraat en bij de Haaksbergerstraat/Het Getfert te liggen.
De aanleiding was de nieuwe dreiging uit het oosten. In de jaren vijftig vreesden veel westerse landen een militair conflict met de Sovjet-Unie. Een eventuele oorlog zou bovendien een geheel nieuw karakter kunnen krijgen door het gebruik van kernwapens. De Nederlandse overheid bereidde de bevolking daarom voor op een mogelijke aanval. Via voorlichtingsmateriaal kregen burgers instructies over wat zij bij een bombardement of een atoomaanval moesten doen.
Ook in Enschede werden opnieuw plannen gemaakt voor openbare schuilgelegenheden.
Twee nieuwe kelders
Uiteindelijk werden in 1958 twee schuilkelders gebouwd. De eerste kwam in het trottoir van de Espoortstraat, ongeveer ter hoogte van het transformatorhuisje bij de voormalige begraafplaats.
De tweede werd aangelegd bij de Haaksbergerstraat, op de hoek met de Getfertsingel. De ingang lag aan de rand van een plantsoen, voor de apotheek Wooldrik.
Beide schuilkelders hadden vrijwel dezelfde afmetingen: ongeveer 3,70 meter breed en 9,80 meter lang. De bouw werd uitgevoerd door het Enschedese aannemersbedrijf J. van Tubberg & Zn. Het bedrijf schreef voor de werkzaamheden een bedrag van 26.844 gulden in en was daarmee de laagste inschrijver.
Opvallend is dat de plannen veel ouder waren dan de uiteindelijke uitvoering. De eerste plannen voor deze schuilgelegenheden dateren al uit 1951. Pas zeven jaar later werden de twee kelders daadwerkelijk gebouwd.
Aanvankelijk waren de plannen uitgebreider. Er zouden drie nieuwe schuilkelders komen en daarnaast zouden bestaande gebouwen geschikt worden gemaakt als bescherming tegen een eventuele aanval. De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog had laten zien dat ook bestaande ondergrondse ruimten daarvoor konden worden gebruikt. Zo kon bijvoorbeeld een fietsenkelder van het stadhuis als schuilgelegenheid dienstdoen.
Van het grotere plan kwam uiteindelijk maar een deel terecht. De kosten voor dergelijke voorzieningen waren hoog en de plannen werden beperkt.
De Bescherming Bevolking
Het beheer van de schuilgelegenheden viel in de jaren van de Koude Oorlog onder de Bescherming Bevolking (BB). Deze organisatie was opgericht om de bevolking in oorlogstijd te beschermen en voorbereidingen te treffen voor rampen en aanvallen.
De twee Enschedese schuilkelders werden ook daadwerkelijk bij oefeningen gebruikt. Zo werd er geoefend met het gebruik van de ruimten en de organisatie van opvang. Een aardig detail uit die tijd is dat medewerkers van de nabijgelegen apotheek bij een oefening koffie brachten voor de deelnemers.
De dreiging waarvoor de kelders waren gebouwd, werd uiteindelijk nooit werkelijkheid. Er kwam geen oorlog op Nederlandse bodem en de kelders hoefden nooit als openbare schuilplaats te functioneren.
Van BB naar brandweer
Toen de Bescherming Bevolking werd opgeheven, kwamen de sleutels en het beheer van de schuilgelegenheden bij de brandweer terecht. Het onderhoud kreeg echter steeds minder aandacht.
Een voormalige brandweercommandant herinnerde zich later dat er in een van de kelders een laag water stond. Dat illustreert hoe snel dergelijke voorzieningen, die ooit als noodzakelijk onderdeel van de bescherming van de bevolking waren beschouwd, in onbruik raakten.
Wie uiteindelijk verantwoordelijk was voor het onderhoud bleek later niet eenvoudig vast te stellen. Zowel gemeente als brandweer verwezen naar elkaar. Daardoor werden de kelders jarenlang nauwelijks gecontroleerd.
Er waren zelfs aanwijzingen dat een van de twee schuilkelders met zand was volgestort. Zekerheid daarover ontbrak echter.
Een vergeten hoofdstuk van de Koude Oorlog
De twee schuilkelders zijn daarmee een bijzondere herinnering aan een andere periode van angst in Enschede. Ze hadden niets meer te maken met de Duitse bezetting of de bombardementen van 1940–1945. Hun bestaan was het gevolg van de angst voor een mogelijk conflict tussen Oost en West en vooral voor de gevolgen van een kernoorlog.
Wie vandaag door de Espoortstraat of langs de Haaksbergerstraat rijdt, ziet daar nauwelijks iets van terug. De ingangen zijn grotendeels aan het oog onttrokken door betonnen afdekkingen en de inrichting van de openbare ruimte.
Toch herinneren deze twee ondergrondse bouwwerken aan een periode waarin ook in Enschede serieus rekening werd gehouden met een scenario dat gelukkig nooit werkelijkheid werd.
De schuilkelders aan de Espoortstraat en Haaksbergerstraat vormen daarmee een tastbare herinnering aan de Koude Oorlog: gebouwd uit angst voor een toekomstige oorlog, maar uiteindelijk nooit nodig geweest.
Windbrugplein
Eén van de dertien schuilkelders van Enschede stond op het Windbrugplein, midden in het toenmalige centrum van Enschede. Het plein lag vlakbij de Van Loenshof, de voormalige Bloemendaalschool en de kruising van historische straten zoals Zuiderhagen en de Windbrugstraat. Hierdoor was de kelder gemakkelijk bereikbaar voor de bewoners van de directe omgeving.
De schuilkelder zelf was een ondergrondse betonnen ruimte, groot genoeg om tientallen mensen te herbergen. Hij bood bescherming tegen rondvliegend puin en instortende gebouwen. Toegang verliep via ingangen bij het plein, en ventilatiepijpen zorgden voor frisse lucht terwijl de bewoners onderdak zochten. Tijdens luchtalarm konden buurtbewoners er snel naartoe rennen en veilig wachten tot het gevaar voorbij was.
Na de oorlog verloor de kelder zijn functie. Het Windbrugplein werd heringericht in de jaren 50, rond de aanleg van de Boulevard 1945, en veel van de schuilkelders in de binnenstad verdwenen. Ze werden dichtgestort, volgespoten met zand of gingen verloren onder nieuwe straten en gebouwen. Tegenwoordig is van de kelder op het Windbrugplein niets meer zichtbaar, maar historische documenten herinneren aan de belangrijke rol die deze plek tijdens de oorlog speelde als beschermde schuilplaats voor de inwoners van het centrum van Enschede.
H.J. van Heekplein
Tijdens de Tweede Wereldoorlog liet de gemeente Enschede in mei 1941 een netwerk van openbare luchtbeschermingsschuilkelders aanleggen in de binnenstad, bedoeld om burgers te beschermen tegen bombardementen en luchtalarm. Eén van deze kelders stond op het H.J. van Heekplein, een plein in het hart van het centrum van Enschede, vlak bij belangrijke winkelstraten en de oude markt. Dankzij deze centrale ligging konden bewoners uit de omgeving snel de kelder bereiken zodra het luchtalarm afging.
De schuilkelder zelf was een eenvoudige, maar stevige betonnen ruimte onder de grond. Hij bood plaats aan tientallen mensen en beschermde tegen rondvliegend puin en instortend materiaal. Toegangen via luiken of trappen lagen direct aan het plein, terwijl ventilatiepijpen frisse lucht naar binnen lieten stromen. Tijdens het afgaan van het luchtalarm zochten buurtbewoners er snel hun toevlucht en bleven veilig tot het gevaar voorbij was.
Na de oorlog verloor de kelder zijn functie. Met de herinrichting van het H.J. van Heekplein in de jaren ’50, en later tijdens stadsvernieuwing, verdween de kelder grotendeels. Sommige schuilkelders werden dichtgestort, volgespoten met zand of simpelweg bedekt door nieuwe bestrating en gebouwen. Tegenwoordig is er van de kelder aan het H.J. van Heekplein niets meer zichtbaar, maar historische archieven herinneren nog aan de belangrijke rol die deze plek tijdens de oorlog speelde als veilige schuilplaats voor de inwoners van het stadscentrum
Stationsweg (Atjehpark)
Wat we vandaag het Stationsplein noemen grenst aan het station van Enschede en was voor de oorlog (tot ongeveer 1951) een gebied dat deels uit het historische Atjehpark bestond – een park dat in het begin van de 20e eeuw een groen publieke ruimte was tussen de Parkweg en de Stationsweg.
Rond 1951 werd het Atjehpark formeel opgenomen in het nieuw ontstane Stationsplein, toen de infrastructuur rond het station en de toegangswegen werd aangepast. Het gebied was dus tijdens de oorlog een centrale ontmoetingsplek vlak bij het spoor, met veel mensen die zich daar verplaatsten. Dat maakte het ook logisch dat juist hier één van de schuilkelders gepland of gebouwd werd als onderdeel van het gemeentelijke plan. Na de oorlog is hij verdwenen onder de moderne bebouwing en bestrating, maar hij maakte deel uit van het civiele beschermingsnet van de stad in de moeilijke oorlogsjaren.
Hoedemakersplein
Onder het vlakke oppervlak van het Hoedemakersplein in het centrum van Enschede schuilde tijdens de Tweede Wereldoorlog een stille, betonnen schuilplaats. In mei 1941 liet de gemeente een netwerk van luchtbeschermingsschuilkelders aanleggen, bedoeld om burgers te beschermen tegen luchtalarm en bombardementen. De kelder op dit plein bood een toevlucht voor de inwoners van de omliggende straten, een plek waar angst voor de lucht boven hen even tot rust werd gebracht.
De kelder zelf was eenvoudig maar doeltreffend: een stevige ondergrondse ruimte, met zitbanken langs de wanden en ventilatiepijpen die frisse lucht naar binnen brachten. Meerdere ingangen en metalen luiken op het plein maakten dat mensen snel konden binnenkomen zodra de sirenes loeiden. Binnen was het donker en koel, een veilige cocon die bescherming bood tegen rondvliegend puin en instortend dakmateriaal. Het comfort was minimaal, maar dat deed er niet toe; hier telde alleen veiligheid en het gevoel van beschutting.
Tijdens een luchtalarm stroomden buurtbewoners de kelder in, sloten de luiken achter zich en wachtten stilletjes tot het gevaar voorbij was. Het was een plek van tijdelijke stilte, van gedeelde angst en collectieve hoop, diep onder het bruisende stadsleven.
Na de oorlog verloor de kelder zijn functie. Het Hoedemakersplein werd heringericht, moderne bestrating en gebouwen namen de ruimte in, en de kelder verdween in de vergetelheid.
Blijdensteinlaan
In het rustige woongebied van de Blijdensteinlaan in Enschede stond tijdens de Tweede Wereldoorlog een schuilkelder die deel uitmaakte van het netwerk van openbare luchtbeschermingsschuilplaatsen dat de gemeente in mei 1941 liet aanleggen.
De kelder onder de Blijdensteinlaan was een eenvoudige, maar stevige betonnen constructie. Binnenin bood hij plaats aan ongeveer vijftig mensen, met houten of betonnen zitbanken langs de wanden. Meerdere ingangen en metalen luiken op straatniveau zorgden ervoor dat buurtbewoners snel naar binnen konden, terwijl ventilatiepijpen frisse lucht naar binnen brachten. Het comfort was minimaal, maar het gevoel van veiligheid dat de kelder bood, was onmisbaar voor de bewoners in die angstige dagen.
Na de bevrijding verloor de kelder zijn functie. Net als veel andere kelders in de stad werd hij later dichtgestort of bedekt toen de straat en de wijk werden heringericht. Tegenwoordig is er niets meer zichtbaar van deze schuilplaats.
De Schuilkelder in het Volkspark
De Bunker die een Heuvel Werd
Wie goed kijkt naar het landschap van het Volkspark, ziet dat de natuur soms een handje geholpen is. Aan de zijde van de Parkweg ligt een opvallende glooiing die in de volksmond de 'bunkerheuvel' wordt genoemd. Onder deze groene laag gras en struiken schuilt een massieve betonnen schuilplaats uit de Tweede Wereldoorlog.
In tegenstelling tot de kelders in de binnenstad, is deze bunker nooit gesloopt. De muren waren zo dik dat men na de oorlog besloot de constructie simpelweg te bedekken met aarde. Vandaag de dag verraden grijze betonranden en ventilatiepunten die her en der door het groen steken, dat dit geen natuurlijke heuvel is, maar een onverwoestbaar stuk Enschedese oorlogsgeschiedenis. Een stille getuige, letterlijk versmolten met het park.
Waarom een bunker in het park?
Het lijkt misschien vreemd om midden in een park een schuilplaats te bouwen, maar de locatie was destijds een strategische keuze. In de dichtbebouwde binnenstad was het gevaar groot dat mensen na een bombardement opgesloten raakten in hun kelders door het puin van instortende gebouwen.
Het Volkspark bood daarentegen:
-
Vrije ruimte: De open ligging zorgde ervoor dat de uitgangen altijd vrij bleven, hoe zwaar de omgeving ook getroffen werd.
-
Nabijheid van de industrie: Het park grensde direct aan de grote textielfabrieken en het spoor. Dit waren de gebieden die het vaakst doelwit waren van geallieerde bombardementen, waardoor een schuilplaats voor arbeiders en omwonenden hier van levensbelang was.
Architectuur van de angst
In tegenstelling tot de kelders in de Floresstraat of de binnenstad, die vaak volledig onder de grond verborgen lagen, is de bunker in het Volkspark deels bovengronds gebouwd. Hierdoor is de brute architectuur van de oorlog nog altijd zichtbaar. De enorme dikte van de betonnen muren en de grauwe, functionele vormen laten zien hoe de stad zich probeerde te wapenen tegen de vernietigende kracht van bommen.
Een blijvende herinnering
Vandaag de dag is de bunker in het Volkspark veel meer dan alleen een brok beton. Het is een monument voor de weerbaarheid van de Enschedeërs. Waar de 'kelders van Horstman' uit de binnenstad langzaam uit het geheugen verdwijnen, dwingt deze bunker de voorbijganger om even stil te staan bij het verhaal van de stad in oorlogstijd.
Het Monument in de Floresstraat
De kelders van de Floresstraat: Schuilen onder het trottoir
In de Floresstraat, midden in de Enschedese Indische Buurt, herinnert een bescheiden monument aan een indrukwekkend stuk lokale geschiedenis. Hoewel er nu niets meer van te zien is, bevond zich hier tijdens de Tweede Wereldoorlog een vitale schuilplaats voor de buurt.
Geen kelder onder huis, maar onder de straat
Veel mensen denken dat de bewoners van de Floresstraat in hun eigen huiskelders schuilden, maar dat was levensgevaarlijk bij een direct voltreffer. In plaats daarvan werden er onder het openbare trottoir speciale publieke schuilkelders aangelegd. Deze betonnen constructies lagen net onder het straatniveau en boden een relatief veilige haven voor de gezinnen uit de omliggende woningen wanneer het luchtalarm klonk.
Het monument als laatste getuige
De kelders zijn na de bevrijding in 1945 buiten gebruik gesteld en later tijdens wegwerkzaamheden verwijderd of volgestort. Wat bleef, is het monument met de veelzeggende tekst:
"Deze kelders dienden in den Wereldoorlog 1940 – 1945 de buurtbewoners tot schuilplaats. 1-4-'45"
Het gedenkteken werd al in 1945 geplaatst, op de exacte plek waar de kelders lagen. De datum op de steen, 1 april 1945, markeert de bevrijding van Enschede en daarmee de dag dat de bewoners voor het laatst hun toevlucht tot deze ondergrondse ruimtes hoefden te zoeken.
Een plek van solidariteit
Vandaag de dag rijden we over de plek waar vroeger angst en hoop hand in hand gingen. Het monument in de Floresstraat is niet alleen een herinnering aan de dreiging van bombardementen, maar vooral een eerbetoon aan de saamhorigheid van een buurt die samen de oorlog doorstond.
Andere schuilplaatsen in Enschede
De openbare schuilkelders vormden tijdens de Tweede Wereldoorlog slechts een deel van de bescherming tegen luchtaanvallen. Wanneer het luchtalarm klonk, konden lang niet alle inwoners een gemeentelijke schuilkelder bereiken. Daarom werden ook andere beschikbare ruimten gebruikt. Fabriekskelders, bestaande ondergrondse ruimtes en geïmproviseerde schuilplaatsen konden in korte tijd een belangrijke functie krijgen.
De kwaliteit van deze schuilplaatsen verschilde sterk. Een stevige betonnen kelder bood vanzelfsprekend meer bescherming dan een eenvoudige ruimte onder een woonhuis. Toch konden juist die kleine, particuliere schuilplaatsen van belang zijn wanneer een bombardement onverwacht begon.
Een bunker bij de Wethouder Beverstraat
Onder het gebouw van de voormalige Openbare Nutsbedrijven aan de Wethouder Beverstraat bevond zich een zwaar uitgevoerde ruimte die als commandocentrum en kluis kon worden gebruikt. Door de stevige constructie bood deze ruimte bescherming tegen de gevaren van bombardementen.
Dit soort gebouwen had tijdens de oorlog bovendien een bijzondere betekenis. Nutsvoorzieningen waren van groot belang voor het functioneren van de stad en moesten ook tijdens oorlogsomstandigheden zo veel mogelijk blijven functioneren.
Schuilplaatsen in de getroffen woonwijken
Ook in de woonwijken waren bestaande kelders belangrijke toevluchtsoorden.
Een voorbeeld is blok 43, in de omgeving van de Beukinkstraat en Brinkstraat. Dit gebied werd op 22 maart 1945 zwaar getroffen door een bombardement. Bewoners probeerden tijdens de aanval bescherming te zoeken in kelders en andere beschikbare ruimten.
Een kelder betekende echter niet automatisch dat iemand veilig was. Een directe bomtreffer, een instorting of een brand kon ook een ondergrondse schuilplaats fataal worden. De gebeurtenissen in de zwaar getroffen stadsdelen maakten duidelijk hoe beperkt de bescherming soms was.
Ook onder de oude woningen aan de Walstraat bevonden zich verschillende kelders. Wanneer het luchtalarm klonk, konden deze ruimten worden gebruikt door bewoners en mensen die in de omgeving aanwezig waren.
Noodschuilplaatsen na bombardementen
Soms ontstonden schuilplaatsen pas nadat een wijk al door een bombardement was getroffen.
Dat gebeurde onder meer rond de Van Loenshof, een gebied dat tijdens het grote bombardement van 10 oktober 1943 zwaar werd getroffen. Tussen de verwoeste gebouwen en het puin werden tijdelijke voorzieningen ingericht waar mensen beschutting konden zoeken.
Dergelijke noodvoorzieningen waren vanzelfsprekend geen volwaardige bunkers. Ze ontstonden uit de omstandigheden van het moment en waren vooral bedoeld om mensen tijdelijk enige bescherming te bieden.
De textielfabrieken als toevluchtsoord
Enschede had echter nog een bijzonder voordeel: de stad beschikte over grote textielfabrieken met zware gebouwen, dikke muren en vaak omvangrijke kelderruimten.
Tijdens bombardementen konden deze fabrieken daardoor een belangrijke schuilfunctie krijgen. Werknemers waren vaak al in het bedrijf aanwezig wanneer het luchtalarm klonk, maar ook mensen uit de omliggende buurten konden soms hun toevlucht zoeken in de grote fabriekscomplexen.
Een belangrijk voorbeeld was fabriek Jannink aan de Haaksbergerstraat. De fabriek beschikte over grote en stevige ruimten die tijdens zware bombardementen bescherming konden bieden aan grote aantallen mensen. Vooral tijdens aanvallen op de omliggende wijken, waaronder Pathmos, waren de fabriekskelders van betekenis.
Ook bij N.V. N.J. Menko in Roombeek waren grote kelderruimten aanwezig. Deze konden als schuilplaats worden gebruikt. Tegelijkertijd laat de oorlogsgeschiedenis van de fabriek zien dat een zwaar industrieel gebouw geen absolute veiligheid bood. Wanneer een fabriek zelf door een bombardement werd getroffen, konden juist de omvang van het gebouw en de grote hoeveelheden brandbaar materiaal voor extra gevaar zorgen.
Zelfgemaakte schuilplaatsen
Niet iedereen woonde in de buurt van een openbare schuilkelder of kon een fabriek bereiken. Veel gezinnen probeerden daarom zelf een veilige plek te creëren.
Onder woningen werden soms kleine ruimten of gaten aangelegd waarin men tijdens een bombardement kon schuilen. Deze werden met eenvoudige middelen verstevigd, bijvoorbeeld met balken, planken of oude deuren. Ook zandzakken konden worden gebruikt om de constructie extra bescherming te geven.
Dergelijke zelfgemaakte schuilplaatsen waren echter sterk afhankelijk van de situatie en de manier waarop ze waren gebouwd. Ze konden bescherming bieden tegen rondvliegend glas en puin, maar waren veel minder bestand tegen een directe bominslag.
Een netwerk van noodoplossingen
De bescherming van de Enschedese bevolking bestond tijdens de oorlog dus uit veel meer dan alleen de dertien officiële gemeentelijke schuilkelders. Openbare kelders, fabrieksruimten, bestaande kelderverdiepingen, bunkers en particuliere schuilplaatsen vormden samen een informeel netwerk van toevluchtsoorden.
Voor veel inwoners kwam het uiteindelijk neer op één eenvoudige vraag: waar kan ik zo snel mogelijk naar binnen als het luchtalarm klinkt?
Dat kon een officiële schuilkelder zijn, maar ook de kelder van een fabriek, een woning aan de overkant van de straat of een zelfgemaakte ruimte onder de eigen vloer.
De grote bombardementen op Enschede lieten tegelijkertijd zien dat geen enkele schuilplaats volledige bescherming bood. Juist daarom is het belangrijk om bij de beschrijving van deze locaties onderscheid te maken tussen officieel aangewezen schuilkelders, militaire of gemeentelijke bunkers en particuliere of tijdelijke schuilplaatsen.
Bronnen
- T. Wiegman, Enschede 1940–1945.
- Stichting Cultureel Erfgoed Enschede.
- Enschede-Stad – historische discussie/documentatie over de openbare schuilkelders.
- Tubantia – Waar zitten de schuilkelders in Twente?
- Historiek – Bij luchtalarm onmiddellijk dekking zoeken.
- Verzetsmuseum – verduistering en luchtbescherming.
Maak jouw eigen website met JouwWeb