de Gaarkeukens

Gaarkeukens in Enschede

Brood op de Bon en Soep van de Boeren: Het Verhaal van de Enschedese Gaarkeukens

Als we terugdenken aan de grauwe oorlogsjaren, dwalen de gedachten al snel af naar de hongerwinter in de grote steden van West-Nederland. Toch bleef ook Enschede niet gespaard voor een sluipende, dagelijkse crisis aan de eettafel. Naarmate de bezetting langer duurde, raakten de schappen in de winkels leeg en moesten de meeste kruideniers hun deuren noodgedwongen sluiten. In de straten groeide de onzekerheid en de nood dreef de inwoners tot uiterste creativiteit. De wekelijkse tips in het landbouwhoekje van dagblad Tubantia werden voor veel gezinnen een strohalm bij het omspitten van hun pas aangelegde volkstuintjes. Anderen trokken met de moed der wanhoop het platteland op, hopend dat een boer bereid was om wat kostbare eieren, melk of aardappelen te ruilen voor hun laatste bezittingen.

Foto 1944 Langestraat gemaakt vanaf de stadhuistoren.

Foto links: De voedselsituatie in Enschede verslechterde naarmate de oorlog langer duurde. Vooral gezinnen met kinderen kregen het moeilijk. Producten waren steeds schaarser en voor veel levensmiddelen waren distributiebonnen nodig. Wie nog iets extra's op tafel wilde krijgen, probeerde daarom zelf groenten te verbouwen of op het platteland voedsel te kopen of te ruilen. De zorgen over eten namen daardoor in het dagelijks leven een steeds grotere plaats in.

Achter de schermen had de overheid deze schaarste overigens al jaren van tevoren zien aankomen. Al in het diepste geheim van 1934, net na de machtsovername van Hitler in Duitsland, schetste men in Den Haag de eerste scenario's voor een strikte voedselregie in tijden van strijd. Onder de strakke hand van regeringscommissaris Stephanus Louwe Louwes werd een distributiesysteem klaargestoomd dat in het najaar van 1939 direct realiteit werd toen suiker als allereerste product op de bon ging. Toen de bezetting eenmaal een feit was, sloegen het Rijk en de Enschedese gemeente de handen ineen om te voorkomen dat de allerarmsten volledig van de honger zouden omkomen. De oplossing werd gevonden in de bouw van Centrale Keukens, sobere noodcomplexen van kalkzandsteen die door de lokale firma Hoog Antink uit de grond werden gestampt.

De deuren van de eerste grote gaarkeuken aan de Oliemolensingel zwaaiden in mei 1941 open onder leiding van J.G. Fortuin, waarna H. Klaassen niet veel later de leiding nam over een tweede grote locatie aan de Poolmansweg. Samen konden deze kolossale keukens dagelijks maar liefst twaalfduizend liter eten bereiden. Omdat een lege maag geen urenlange voettochten verdraagt, zorgde de gemeente voor vijf strategisch verspreide uitdeelposten door de hele stad, waaronder bij de Ramie Union en verschillende buurtscholen. Waar je ook woonde in Enschede, binnen een kwartier lopen stond je met je pannetje voor de dampende ketels.

Wat daar vervolgens in die pannen werd geschept, was puur overlevingsvoedsel. Het menu bestond steevast uit dikke stamppotten, waterige maaltijdsoepen of flauwe pap. Vet was in die dagen zo zeldzaam dat ontevreden burgers weleens morden dat je een vergrootglas nodig had om een vetdruppel in de soep te ontdekken. In de donkerste periodes, toen de fatsoenlijke aardappelen simpelweg op waren, werden zelfs bevroren piepers met schil en al in de machines gegooid, terwijl varkenskoppen en -poten de soep nog van de broodnodige proteïnen moesten voorzien. Dat het eten ondanks de chaos veilig bleef voor de volksgezondheid, was te danken aan de Keuringsdienst van Waren, die de keukens wekelijks onderwierp aan strenge bacteriologische inspecties.

Soms was het puur geluk dat de ketels bleven koken, zoals in het vroege voorjaar van 1945 toen de voorraad peulvruchten in het stedelijke slachthuis volledig was uitgeput. Slechts twee dagen na de bevrijding bood de haven van het nabijgelegen Hengelo een onverwacht geschenk uit de hemel. Daar lag een gezonken schip waarvan de deklading nog net boven het water uitstak. Het bleek te gaan om een grote partij mollenbonen, de destijds bekende geroosterde paardebonen. De lading werd direct naar Enschede overgebracht en de stadsbewoners aten bijna een week lang dankbaar van deze geredde voorraad, zonder dat er een onvertogen woord viel.

Het hele systeem was een logistiek hoogstandje dat draaide op strikte bureaucreatie en bonnen. Om de maaltijden betaalbaar te houden voor de getroffenen, paste de gemeente de werkelijke kostprijs telkens bij. Wie een vetkaart bezat betaalde slechts een dubbeltje per portie, terwijl een boterkaart drieëntwintig cent kostte. Bovendien betekende het eten uit de gaarkeuken een enorme zegen voor het thuisfront, aangezien gezinnen die zonder gas zaten zo kostbare brandstof bespaarden. De weg naar de maaltijd begon met het inleveren van je reguliere vlees-, vet- en aardappelbonnen, waarvoor je in ruil een kosteloze knipkaart kreeg die vier weken geldig was. De planning luisterde nauw, want dagkaarten moesten altijd een dag van tevoren worden opgehaald, waardoor de logistiek voor de maandagmaaltijd al op de zaterdag daarvoor in gang werd gezet.

Onderwijl intensiveerde de druk van buitenaf. De Nederlandse Volksdienst coördineerde de sociale hulpverlening vanuit hun basis aan de Parkweg en na zware bombardementen op de stad opende het Gemeentelijk Lyceum haar deuren voor de slachtoffers. Onder leiding van NVD-hoofd J.H.H. Wevers, een voormalig NSB-raadslid, kregen gezinnen die huis en haard hadden verloren direct een week lang gratis warme maaltijden toegewezen. De werkdruk voor de vijfenzeventig keukenmedewerkers was in die dagen onmenselijk. Wanneer de bommen vielen en het water of de elektriciteit uitviel, improviseerde het personeel in het halfduister door om toch de hongerige magen te voeden. Op het absolute hoogtepunt van de crisis hielden de keukens meer dan twintigduizend mensen per dag in leven. Pas in januari 1946 sloot de locatie aan de Oliemolensingel als laatste definitief haar deuren, toen de normale voedselvoorziening weer op gang was gekomen en deze rauwe, maar levensreddende noodhulp eindelijk geschiedenis was geworden.

Bronnen:

  • T. Wiegman, Enschede 1940–1945.
  • De Sliepsteen, nr. 21 / nr. 60 – historische artikelen over voedselvoorziening en gaarkeukens.
  • Tubantia – historische krantenartikelen van 2 april, 6 mei en 12 mei 1941.
  • Stichting Cultureel Erfgoed Enschede – Voedselschaarste tijdens de Tweede Wereldoorlog in Enschede. Cultureel Erfgoed Enschede – publicaties
  • Stichting Cultureel Erfgoed Enschede – historisch fotoarchief. Historisch fotoarchief Enschede
  • Delpher – historische kranten. Delpher
  • Enschede-Stad – historische documentatie. Enschede-Stad

Maak jouw eigen website met JouwWeb